Openboordenparadijs

2 november 2004, 11 september 2001, 22 november 1963, 25 juni 1988. Het zijn van die data waarbij velen direct weten waar ze waren en wat ze deden, maar wie kan zich 9 december 1998 nog herinneren? Ik niet, al was het zeker een memorabele dag.

Ik gok dat ik op kantoor was. In pak. Met een stropdas om. Voor een van de laatste keren.

Zo’n vijftien jaar was ik werkzaam in functies waar ik het grootste deel van de tijd gekleed in jasje-dasje de dag doorbracht. De helft van die periode in de Amsterdamse Beurs van Berlage – waar ik ooit nog een fraaie Ajaxdas mocht ontvangen van voorzitter Michael van Praag toen die met de gehele selectie op bezoek kwam – en de andere helft op Schiphol, bij een baan in de zakelijke dienstverlening. Ik dacht er nauwelijks bij na, maar om nu te zeggen dat ik er echt gelukkig van werd – op die Ajaxdas na dan – … nee. Maar goed, het ‘hoorde’ nu eenmaal zo.

Maar toen werd het december 1998 en sprak Prins Claus bij de uitreiking van de Prins Clausprijzen zijn befaamde Declaration of the tie.

‘Nu de arbeiders van de wereld hun ketenen hebben afgeworpen, heeft de moderne werkende man zichzelf weer vastgeklonken: aan de altijd aanwezige stropdas. Aan de slang rond zijn adamsappel, aan het koord van zonde dat we heden ten dage gebruiken om fatsoen aan af te meten. Stropdasdragers aller landen verenigt u: werpt het touw af dat u hindert! Zet uw nek op het spel! Bevrijdt u en waagt u in het openboordenparadijs’, was de afsluitende passage die hij zijn geamuseerde en verbaasde toehoorders meegaf, waarna hij zijn stropdas afdeed en deze ten overstaan van een volle Nieuwe Kerk op de grond liet vallen.

Het sprak me wel aan. Heel erg aan zelfs. Vanwege het niet verwachtte gebaar, vanwege de charmante manier waarop de Prins de lachers op de hand kreeg, en zeker ook omdat ik er – met verwijzing naar zijn woorden – maandenlang een uitstekende troef mee in handen had om dasloos naar kantoor te kunnen gaan. Als zelfs de wederhelft van onze vorstin…dan mag ik toch zeker ook..?

Weg dus met dat veel te warme ding om mijn nek dat zo oncomfortabel zat. Dat accessoire dat ik altijd een beetje los probeerde te wrikken omdat het zo onprettig benauwd aanvoelde, maar waardoor deze direct niet goed meer zat. Ook toen de woorden van Claus verre echo’s werden bleef ik zonder das. De twintig of dertig exemplaren die ik heb, hangen sindsdien vrijwel werkeloos in de kast, met uitzondering van een begrafenis of een incidentele vergadering. En ook dan, met frisse tegenzin en slechts zolang als absoluut noodzakelijk. Zouden er kledingstukken zijn die nog oncomfortabeler zitten dan een strop? Wat mij betreft niet, of het moeten te kleine schoenen zijn.

Natuurlijk moet ik nog wel eens aan de vriendelijke Prins denken, niet in de laatste plaats omdat hij ook nog eens een band met de golfsport had. En omdat de band tussen golf en stropdassen zo aanwezig is of was. Bij de sport in het algemeen, en bij de NVGJ in het bijzonder.

Och, wat zou ik graag Claus’ Declaration kunnen declameren als ik weer eens op het niet dragen van een das word aangesproken. Want ja, dat gebeurt nog altijd regelmatig. De min of meer aan mij gerichte open brief van Ruud van Breugel van enkele weken geleden was de zoveelste keer dat er een opmerking werd gemaakt over mijn vrijwel altijd dasloze nek.

Al vanaf het moment dat ik lid werd van onze mooie club duikt hij bij tijd en wijle op. De dasdiscussie. Er zijn leden die bij hoog en bij laag volhouden dat het dragen van een das bij het lidmaatschap van onze club hoort, geen discussie mogelijk – of het nu een eigen exemplaar is of een van de tig clubdassen die er lijken te zijn – maar er zijn steeds meer leden die de das ook de das laten, hem nu eens wel en dan eens niet omdoen, en aan tafel schuiven in een keurig jasje, gekamde haartjes, in een net hemd, maar zonder die slang om de nek.

Sinds het schrijven van Ruud – wiens opmerkingen over mijn niet dragen van een das ik maar wegstreep tegen zijn prachtige met logo’s overladen (maar ook niet per se statutair goedgekeurde) jasje – lette ik eens wat nadrukkelijker op de foto’s op de site. Geloof het of niet: ik telde meer daslozen dan dasdragers bij recente bijeenkomsten. Van een enkele hals ruim tien jaar geleden naar een steeds groter wordende groep in 2015. Niet uit principe – althans, daar is bij mij geen sprake van — maar omdat ik het niet aangenaam vind en misschien ook wel omdat het kennelijk die tijd is. Zoals dat soms gaat met tradities. Ze verschijnen, ze zijn er, ze lijken belangrijker dan wat dan ook, maar soms verdwijnen ze, worden minder belangrijk of in elk geval minder belangrijk gevonden. Door velen, door enkelen.

Hoelang is het geleden dat golfers de baan in gingen in drollenvanger, met een spencer, hoge kousen én een stropdas? Dat was jarenlang dé dresscode op de golfbaan maar nu zou je raar opkijken als iemand in deze outfit naast je op de tee staat of aan de bar zijn drankje besteld. En toch, iets meer dan een halve eeuw geleden was het de regel, nu de zelden voorkomende uitzondering. Al staat het iedereen vanzelfsprekend vrij in de klassieke outfit de baan in te gaan. Waarom zou de nek dan niet diezelfde vrijheid gegund zijn?

De eerste polodragers zullen vast te horen hebben gekregen dat dat toch eigenlijk niet gepast was…zo zonder das en met blote armen. De turtleneck van Tiger? De felgekleurde broeken van Loudmouth? De korte rokjes van sommige dames? Allemaal ooit met gefronste wenkbrauwen ontvangen, maar nu al jaren niet meer weg te denken van de golfbaan. Wankelde de golfwereld sinds de invoering van die oogverblindende kleuren? Geen moment. Kunnen we het ons voorstellen dat er ooit schande werd gesproken van een polo? Absoluut niet. Is het dan zo’n punt dat niet iedereen met een stropdas om aan de dis plaatsneemt? Regels veranderen, gewoontes veranderen, het ooit ongewone is al zó vaak gewoon gewoon geworden. Is dat niet net zozeer een teken van de door Ruud aangehaalde vrijheid?