Nederlandse Vereniging van Golfspelende Journalisten
27.05.2022
Als er in de Bijbel ook maar één tekstvers had gestaan of desnoods maar één zin – en die dan ook nog maar op één manier te interpreteren viel, heel belangrijk! – dan was het beoefenen en bekijken van sport in mijn jeugd niet zo’n groot thema geweest als dat het nu was. Maar die stond er niet. Die staat er niet in. Gods Woord is immers onveranderlijk, wars van de tijdsgeest. Ik weet dat. Want ik heb hem meerdere keren van kaft tot kaft voorgelezen gekregen. Er zit een nadeel aan je afkomst bekennen, want daarmee zijn ook meteen de vooroordelen geboren. Maar die zal je verderop in dit stuk vanzelf bij je ontdekken. Vanwaar deze inleiding? En waarom, in godsnaam?
Nou, daarvoor neem ik jullie even mee naar mijn jonge jeugd. Ik ben van ’85. Wij lazen thuis het Reformatorisch Dagblad. Ik geloof de enige krant in Nederland zonder sportkatern. Als daarin over sport werd geschreven was het als er een Formule 1 coureur de dood vond. Of wanneer er ongeregeldheden waren bij een voetbalwedstrijd. Transfers werden wel besproken, maar heetten daar beroepingswerk en dan ging het over predikanten. En vooruit, de Elfstedentocht, die was ook cult. In die tijd stond er namelijk nog in de statuten van de tocht der tochten dat hij niet op zondag verreden mocht worden. Of dat nog steeds zo is, het zou goed kunnen, maar dan vooral omdat er nog nooit iemand erg in heeft gehad. Het lijkt me een artikel wat met één pennenstreek is verdwenen zodra de koorts een keer echt toeslaat en met de dag des Heeren in het gedrang lijkt te komen. Maar dit soort pareltjes ter bescherming van de zondagsrust verdienden een ereplaatsje in de scene.
Toen ik als jong mannetje bij de buren kwam of later op mijn zaterdagbaantje, las ik het Brabants Dagblad. Mét sportkatern! Ik vrat het. Tot op de laatste letter nam ik het gretig tot me. De krant was, samen met het radioprogramma ‘Langs de Lijn’ wat ik elke avond luisterde, terwijl ik met mijn oren geklemd lag op mijn wekkerradio die ik zo diep mogelijk in mijn kussen verstopte zodat het geluid absoluut niet bij het bed van mijn broertje terecht kwam zodat die zich kon beklagen bij mijn ouders dat ik te lawaaierig was, mijn enige poort naar de magische wereld van de sport. De wereld die ik zo waanzinnig interessant vond. De wereld waarvoor elke zondag vanaf de kansel gewaarschuwd werd.
Ik kan me nog goed herinneren dat wijlen ds. van Dijk me ooit eens bemoedigend toesprak vanaf de preekstoel. “Je zit met je gedachten bij PSV – Feyenoord hè?” Hij had gelijk. Want onderweg naar de kerk toe gluurde ik bij zoveel mogelijk huizen naar binnen om maar een fractie mee te krijgen van de wedstrijd. Ik denk dat het zelfs nog in de tijd was dat dit soort potjes op het open net werden uitgezonden. Ik heb geen idee. Wel weet ik dat PSV won met 7-2. En dat Jean Paul van Gastel zijn been brak.
Ik skeelerde veel in die tijd. Schaatsen op wielen. Erg populair onder christenen. En omdat er zo ontzettend veel getalenteerde christenen op skeelers waren, werden er ook nauwelijks wedstrijden georganiseerd op zondag. Ik was er nog aardig bedreven in ook. Andere sporten waren een soort van onbereikbaar. Voetbal was uit den boze. En van golf hadden we bij ons thuis niet eens van gehoord. Althans, ik niet. Mijn vader wel. Die is zelfs verantwoordelijk voor de aanleg van een golfbaan. Niet als architect ofzo, maar als hoofduitvoerder in de grond- weg- en waterbouw.
Maar aangezien sport en zondagsrust dus slecht met elkaar samengingen was een topsportcarrière uitgesloten. Al heb ik ook dat lang ontkent. Dan beweerde ik stellig dat ik ooit zo hard zou fietsen en zoveel voorsprong zou nemen dat ik op zondag niet hoefde te fietsen in de Tour de France. Er waren eigenlijk maar twee zondagen een probleem. De eerste, de dag na de proloog, destijds. En de laatste op de Champs Elysees. Want toen was het nog gebruikelijk dat er minimaal één rustdag op de zondag plaats zou vinden. Je kunt het je niet meer voorstellen nu op een zo ontzettend belangrijke televisiedag. Ik zag voor mezelf een uitzonderingsrol, zoals die ooit gold voor Folkert Velten, een geweldige voetballer van Heracles in die tijd die weigerde op zondag uit te komen.
Mensen als Jacques Chapel, maar ook onze gewaardeerde NVGJ-collega Andy Houtkamp, ze hebben mijn wereld mooier gemaakt, verlicht, verrijkt, noem het zoals je het noemen wilt, zonder dat ze het wisten.
Maar wie ook tot het gilde van sportjournalisten behoorde die ik in mijn hoofd tot mythische proporties maakte was, jawel, Henri van der Steen. Potverdrie, wat wilde ik vroeger graag Henri van der Steen zijn zeg. Sportjournalist. Iemand die betaald werd om naar voetbalwedstrijden te gaan en daar een verslag over te schrijven. Als ik zijn verslagen las waande ik me in het stadion, op het stoeltje naast hem. Analyserend, beschouwend. En dan zag ik hem in gedachte zitten achter zijn computer om zijn stukjes te tikken. Wat moest dat een machtig mooi leven zijn.
Inmiddels is er veel veranderd in mijn leven. En ook in dat van Henri. Maar dinsdag 10 mei kwam het dan zowaar tot een heus treffen tussen mij als afvallige (van de kerk) en Henri als de verstotene (uit de media). Scherp als zijn pen was en is heeft Henri het vermogen om mensen tegen zich in het harnas te jagen.
We filosofeerden die avond uitgebreid over de journalistiek en haar huidige kramp waarin ze zich bevond. We bespraken onze voorkeuren. Die lagen overigens ver, heel héél ver uit elkaar. Maar dat volledig terzijde. Waar we elkaar in vonden was de conclusie dat het zijn van een luis in de pels, het zijn van de slijpsteen voor de geest, in ieder geval geen vanzelfsprekendheid meer was in een wereld waarin er op elke journalist wel twee of drie voorlichters te vinden zijn.
Of ze worden het bijkans zelf. Wat te denken van het fenomeen clubwatchers? Wie nog gelooft dat daar nog enige vorm van journalistiek wordt bedreven gelooft ook vast nog dat Sywert het goed voorhad met ons land in de mondkapjesgate.
Henri dus. Mijn tegenstander in dit eerste treffen in de tweede ronde. Ik had als lage handicapper een buy-out gekregen voor de eerste ronde. En Henri was in bloedvorm. Die had mevrouw Verhoeven al een spreekwoordelijk pak op de billen gegeven op zijn favoriete course, Midden-Brabant. Een baan die voor mij sowieso al van toevalligheden aan elkaar hing. Want inderdaad. Midden-Brabant is de baan die mijn vader mee heeft aangelegd.
En tot voor kort had ik de baan nog nooit gespeeld. Maar het toeval wil dat we in de competitie ingedeeld waren met Midden-Brabant, waardoor ik – heel toevallig – hem twee weken voor het treffen met Henri maar liefst drie keer gespeeld had. Voorspelen, de dubbels en in mijn singlepartij. En gezien het niveau wat ik toen op de mat had gelegd was het ook geen reden om een andere suggestie te doen aan Henri toen hij met deze baan op de proppen kwam. Dit moest ik kunnen.
Hoe het vervolgens ging, lieve vrienden van de NVGJ, is iets wat ik jullie simpelweg niet kan onthouden. Want tsjongejonge, we maakten wat mee zeg.
Laat ik bij het begin beginnen. Henri had – galant als hij was – mij koffie met appelgebak in het vooruitzicht gesteld die hij ook zou betalen. En na onze partij zouden we ook nog wat eten, zo was Henri zijn idee. “We kunnen ook gaan spelen bij De Dommel in Sint Michielsgestel, maar dan betalen we beiden 80 euro en daar heb je bij Midden-Brabant nog een hapje voor,” zo stelde hij. Later bleek het om een arrangement te gaan waarbij dat al inbegrepen was. En aangezien ik veel eerder dan Henri op het landgoed in Esbeek was en ook al had afgerekend voor de greenfee, het eten, maar ook de appeltaart. Geen verwijt hoor, Henri.
We zouden om drie uur afslaan. En ik heb de prettige gewoonte – of autistische afwijking, zo u wilt, om er dan minstens een half uur van te voren te zijn, zodat ik het stramme lichaam wat kan opwarmen. Ik heb ooit eens in Golfers Magazine een stuk gelezen waarin gewaarschuwd werd voor het spelen zonder warming-up. Nu is het niet zozeer de bezorgdheid om mijn lichaam, maar meer omdat ik het fenomeen mulligan graag toepas in de bekende rondjes met de vrouw als ik niet heb ingespeeld. De timing moet ik op scherp krijgen in een fatsoenlijke range sessie. Eigenlijk kunnen we gevoeglijk concluderen dat ik er geen klote van kan.
Ik sluit niet uit dat Henri daar van op de hoogte was en dat zijn veel te late verschijnen onderdeel was van de strategie deze dag. Want in de masterclass die gameplan heet, leek niets aan het toeval te zijn overgelaten.
Omdat ik beleefd wachtte tot Van der Steen kwam opdagen en al drie keer een medewerker vriendelijk had bedankt voor haar aanbod om mij van wat drinken te voorzien bleef ik geduldig wachten. Wanneer zou het orakel uit Sint Michielsgestel verschijnen?
Om 14:50u viel hij haastig binnen, samen met zijn rolkoffer.
“Ben je met het openbaar vervoer, Henri?” vroeg ik nog. Ikzelf ben een fanatieke verstoker van fossiele brandstof, maar er was me verteld door collega’s van de NVGJ dat Henri alles probeerde te mijden wat niet bijdroeg aan de wereld beter maken. Zo ook autorijden. Later bleek hij ook te denken dat het minder eten van vlees een wezenlijk verschil zou maken voor een betere wereld. Als carnivoor ben ik een hele andere mening toegedaan. Maar – en hier gaat het mis wat mij betreft – volgens Henri is dat geen mening meer, maar een gegeven. “Omdat mensen die er voor doorgeleerd hebben dat zeggen!” Doorgeleerd of door geëvolueerd in een ideologie? Wie het weet mag het zeggen.
Nee, Henri was met de auto. Weliswaar een elektrische, maar toch.
(Henri, de productie van een auto kost zo’n 7 tot 10 ton aan stikstof. En met de productie van een accu komt daar nog eens 9 ton aan CO2 bij. Ja, dat beweren de mensen die er voor doorgeleerd hebben hè.)
(Hij stoot wel minder uit tijdens het rijden. Toegegeven. Al doet het laden ook nog wat, maar laten we nu niet op alle slakken zout leggen. Elektrisch rijden it is! We gaan er aan geloven. Wij allemaal. En ik ook. En ach, als dat nu écht bijdraagt?)
Ik bracht hem in herinnering dat we nog appeltaart zouden eten vooraf. “Oh ja, das waar ook!” schoot het hem te binnen. “Dat was ik helemaal vergeten joh”. Hij keek even op zijn horloge. En terwijl ik inmiddels het midden hield tussen: ‘Hoe kom ik hier beleefd onderuit’ aan de ene kant en ‘shit, als ik straks niet weet te winnen omdat ik niet ingespeeld ben’ aan de andere kant, zei Henri: “Maar dat kan nog makkelijk. We hoeven pas om acht minuten over drie te starten.”
Ik zag mijn inspelen in rook opgaan. De zelf betaalde appeltaart was heerlijk. Dat vergoedde een hoop. En sowieso was het spelen van een ronde golf nog nooit een straf geweest. Kom op, die paar slagen op een driving range. Wat konden die nu eigenlijk voor een verschil maken? Dat mocht toch geen naam hebben? Zo vermande ik mezelf.
We hadden nog wel tijd voor twee putts op de oefengreens. Toen was het moment daar om onze strijd aan te vangen.
Hole 1 is een dogleg naar rechts en met 368 meter de langste par vier van de baan. Henri koos voor een hybride en ging over links, waardoor de hole nog langer werd. Maar deze hole als een bogey hole spelen was zeker geen slechte strategie. Zeker niet met de zeven slagen in gedachten die hij meekreeg. Ik was het inspelen alweer vergeten en dacht: meteen aanvallen! Meteen duidelijk maken dat hij met bogeygolf er vandaag niet gaat komen. Niet op de holes waar we gelijke slagen moeten maken. Maar ook niet op de holes waar hij wel een slag meekrijgt. We zitten in een wedstrijd, nondejus! Die Joop van der Flier trofee kwam er niet zomaar.
Ik probeerde mijn drive dan ook af te snijden over de bult in de dogleg heen. Dat lukte wonderwel, al had ik wat pech met de ligging. Het tweede schot van de dag voor Henri verdween links van de green en rolde een paar centimeter een hindernis in.
En ik overdrijf niet, beste lezers die inmiddels tot hier zijn gekome. Dit was zijn enige foute bal van de dag. Ik herhaal: dit was de enige foute slag van Henri van der Steen. De ge-he-le dag.
Het was ook een scenario dat overduidelijk niet in zijn masterplan stond opgetekend. Want hij was er helemaal door van slag. De bal was nog goed zichtbaar, maar lag technisch gezien in de hindernis. En heel makkelijk kon hij er niet bij komen. Maar in een matchplay pot moest het kunnen. Ik had inmiddels een pitching wedge op de green geslagen en ging maar eens bij hem kijken. Want waarom duurde het zo lang?
Hij stond met de handen in het haar. Het waaide hard. De wind joeg om onze hoofden heen. Mijn labrador heeft met harde wind altijd het idee dat ie van alle kanten wordt aangevallen.
Zo moet u zich de situatie een beetje voorstellen. De wedstrijd was nog maar net begonnen. Maar dit stond niet in zijn aanvalsplan voor vandaag.
Toen ik bij hem aankwam zag ik hem vertwijfeld rondkijken. Wat zou de beste strategie zijn? De green werd beschermd door een paar glooiingen.
Achter een van die glooiingen vermoedde ik dat zijn kar stond.
Zijn kar?
Ja. Zijn kar. Ook een elektrische. Met zo’n loodzware milieubelastende accu.
Zijn kar. Maar hoe dichterbij ik kwam, hoe minder zeker ik daar van was. Waar was Henri zijn kar? De wind leek wel even weg te vallen. Alsof de wereld de grootste schik had op de achtergrond. Zij wist het al. Wij nog niet.
Ik moet meteen even een bekentenis doen. Het allereerste wat ik deed was mijn telefoon grijpen en een foto maken. We zijn notabene lid van de Nederlandse Vereniging van Golfspelende Journalisten, of niet?
De wind was er natuurlijk, maar de boosdoener was de automatische stand. Of nou ja, degene die de automatische stand – weliswaar niet expres – had gevraagd om zijn werk te doen. Henri zelf dus, die in zijn paniek om een bal in de hindernis, vergeten was zijn karretje uit te zetten.
Het tweede wat ik deed was helpen. Henri wilde al voorover buigen met zijn kop de sloot in, maar ik kon hem daar nog net van weerhouden. “Geef mij een handje,” bood ik aan. “Dan neig ik wel naar voren.” Dat zei ik. En ik dacht: ‘Je kunt het niet maken om iemand die bijna dertig jaar ouder is dan jij op z’n kop de sloot in te laten gaan.’
We konden er niet bij. De kar was met een flinke gang een sloot in gegaan. En terwijl Henri en ik samen een levende ketting vormden, waarbij ik vervaarlijk over het water heen hing, kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat er zwaarder geschut noodzakelijk was: mijn Scotty Cameron! Zette het clubhoofd achter een spaak van zijn loodzware buggy met wandelassistentie. De tas had zich inmiddels gevuld met water en vermenigvuldigde in gewicht.
Ik trok met alle kracht. Maar dacht ook: ‘Jeetje, als ie zo maar niet krom staat.’
Ja, kom op. We zaten in een wedstrijd. Er zijn belangrijkere zaken dan een tas. En bood dit niet juist kansen?
“Moeten we niet een greenkeeper om hulp vragen?” opperde ik voorzichtig. En in gedachten vroeg ik me al af wat dit voor gevolgen zou hebben voor onze wedstrijd? Wie zou hier eigenlijk meer last van hebben? Hij of ik?
‘Mijn telefoon’ riep Henri plots verschrikt.
Het plan greenkeeper ging de prullenbak in. We vonden hernieuwde krachten en deden nog eenmaal een manmoedige poging. Alles kraakte. Henri zijn been bloedde. Mijn duim was inmiddels gekneusd en ik bloedde ook. Maar er kwam beweging in het spul. Er brak iets af. Maar we kregen het op de kant. En terwijl we de tas op zijn kop hielden om al het water eruit te laten lopen maakten we een plan.
We liepen terug over hole 1, bukkend voor ballen van achterop komende spelers. Na een kort weinig meewerkend gesprek met de receptiemedewerkster liepen we weer terug met een geleende trolley. Terug naar hole 1. De wedstrijd kon hervat worden.
Over de wedstrijd zelf kan ik kort zijn. Henri deed werkelijk niets fout. Ik was slordig van de tee, moest veel herstellen en dat ging me gewoon niet zo goed af als gehoopt. Daar in de geest van Henri ook nog eens 3.000 woorden aan wijden zou een vorm van zelfkastijding zijn.
Als je tegen iemand speelt die alles raakt, ga je er gewoon vanaf. En terecht. Midden-Brabant is zijn habitat en werd mijn Waterloo.
Op hole 17 was het klaar met 2&1. Een dikverdiende overwinning voor onze vegetariër. Net toen we in een goed gesprek daarover zaten en ik genoot van mijn stukje rund en Henri van een vegetarische pastasalade (meen ik) kwam een Vlaams sprekende bediende bij onze tafel staan. “Smaakt het heren?” We mompelden met een volle mond iets van heerlijk. Hij wees naar Henri zijn bord en voegde volkomen ongevraagd toe: “Zelf vind ik altijd wel jammer dat er dan geen vlees bij zit… Lekker kip ofzo.”
Henri was die avond voor de tweede keer even van slag. Keek mij aan. “Is dit afgesproken ofzo?” Ik was echter net zo verbaasd. Henri herpakte zich – niet voor het eerst die dag – en beet hem toe: “Wat heb jij daar mee te maken?”
Gelijk had hij. Sowieso bepaalt Henri helemaal zelf of ‘ie wel vlees eet. Net zoals ik bepaal of ik het wél eet.
In de matchplay moest ik het opnemen tegen Louis. Louis had mij uitgenodigd om op Lauswolt te komen spelen. Omdat iedereen die ik sprak zei dat het een prachtige baan is, nam ik die uitnodiging maar al te graag aan. En iedereen had gelijk. Lauswolt is best een stukkie rijden, maar dan krijg je ook waar voor je moeite. Ik denk dat ik tijdens de ronde wel een keer of twaalf heb gezegd dat ik het zo’n mooie baan vond. Tot ik uiteindelijk aankondigde dat ik het nu echt niet meer ging zeggen.
Friet met mayonaise Een Brabants onderonsje. Henri heeft geen homecourse en ik heb als HGE lid tegenwoordig keuze uit 14 banen en had wel zin om naar de nieuwste aanwinst in Maastricht te gaan. Het werd na wat overleg Gendersteyn. Tja, of dit nou de beste keuze was? Nog niet eerder een baan gezien waarbij er op de fairways geen groen grassprietje meer te vinden is: wordt de klimaatcrisis de angstgegner voor meer banen? Ze hebben echt hun best gedaan om de afslagplaatsen en de greens groen te houden maar dat leverde weer allerlei andere problemen op ( oa drassigheid rondom en op de greens ) dus uitdaging volop! Ik denk dat buiten ons iedereen op de hoogte was : wij waren de enige spelers in de baan!!! Voor we echt van start gingen nog allebei de handicaptabellen goed bestudeerd : kijken of er met een keuze van de juiste T-Box nog wat voordeel te behalen viel, als is het maar voor je gevoel. Het werd geel voor Henri en blauw voor mij waarbij ik 5 slagen meekreeg. Oh ja Henri speelde op sandalen omdat hij te veel last heeft van zijn voeten, paste eigenlijk wel bij deze kale "Savanna". Henri speelt de laatste weken erg steady maar stuiterende ballen en drassige greens gooide op eerste 11 holes regelmatig roet in het eten dus ondanks dat mijn spel niet bepaald overhield stonden we op dat moment nog gelijk! Toen begon Henri het letterlijk over eten te hebben en hoe leuk hij koken vindt terwijl ik daar nier mijn hobby van heb gemaakt. Herinneringen aan interviews die hij maakte door thuis voor zijn gasten te koken . Soms culinair maar ook gewoon friet met mayonaise als dat bij de gast paste! Ik weet het niet maar vanaf dat moment ging Henri beter spelen en was ik de weg kwijt. De kleur van de fairways leek voor mij ineens ook op gebakken friet: interessant hoe je brein werkt. Na hole 16 was het klaar: 3 up voor Henri ! In alle NVGJ jaren matchplay is hij nog nooit zover gekomen in deze competitie dus een mijlpaal bereikt. Het is je van harte gegund Henri. Na afloop nog heel gezellig een hapje gegeten ( ook friet met mayonaise voor Henri) waarbij er nog een keur aan onderwerpen is gepasseerd in een heel relaxte sfeer! Dank voor de gezelligheid Henri en zet 'm op in de halve finale! P.S Wat perspectiefkeuze doet - meer groen in beeld, ook een optie.
Onze matchplay wedstrijd in de verliezersronde droeg alle kenmerken van precies dat. Het was veelal niet om aan te zien en mijn spel nog een behoorlijk tikje erger dan dat van Igor, die helemaal aan het einde van de middag toch opgewekt concludeerde dat hij zich niet kon herinneren een matchplay wedstrijd te hebben gewonnen. Kon er ook nog wel bij. Er waren holes bij dat we geen van beiden wisten met hoeveel slagen we eigenlijk op de green waren aangekomen dus hevig moesten terugtellen. Als ik mijn ene slag strak links de bosjes in sloeg, deed ik dat met de provisionele bal even strak weer, op precies dezelfde plek. Niets geleerd. Menigmaal werd ik er wanhopig van, knielde op het gras, vroeg me af waarom ik niet ging petanquen (had het weekend daarvoor de vermaarde Grandrieux Flipse Open gewonnen – zie desgewenst de noot onderaan). Maar laat ik toch vooral ook de positieve kanten van het spel van Igor benoemen: op en rond de green (al kwam hij er soms met een omweg) vertoonde hij een grote mate van solide spel. Chips vlogen mooi over bunkers in exact de goede richting, op één na (een lip-out) rolden zijn putts vanaf één tot drie meter strak en met exact de goede snelheid in het hart van de hole. Mooie stroke, geen twijfel. Igor was dan ook meer dan terecht de winnaar van onze partij. Hij toonde zich een rustige en zeer aangename flightgenoot bovendien. We babbelden in de baan rustig door, alsof er niets aan de hand was, en vooraf bij de koffie en na afloop bij een biertje namen we onze (journalistieke) levens door. Zijn Budgetgolf was ooit een leuke bijverdienste en is nu vooral een hobby, zijn brood verdient hij met name in de zorg, en dan voor nog thuiswonende mensen met Alzheimer. Niet medisch en huishoudelijk maar gewoon met de problemen die zij (en hun partners) in het dagelijks leven tegenkomen. Buitengewoon bevredigend werk, waar zijn kalme uitstraling en geduldige karakter bij helpt. Hij brengt rust en vindt het niet erg als hij voor de tweede of derde keer hetzelfde moet aanhoren. Wat hij vertelde is herkenbaar. Mijn vader (nu 3 jaar geleden overleden) had Alzheimer en pakte de laatste jaren thuis gerust voor de derde keer de krant van die dag op, omdat hij niet meer wist dat hij die al gelezen had, en bij herlezing de inhoud ook niet meer herkende. Er was ook niet zoveel wereld meer buiten het appartement waarin hij zo lang mogelijk met mijn moeder woonde. Die hem, zelf toch ook al bijna 90, de kleren aanreikte die hij die dag moest aantrekken, oplette dat zijn trui niet binnenste-buiten zat, hem zijn medicijnen gaf, koffie en een boterham maakte en hem eraan herinnerde dat het misschien tijd was om naar de wc te gaan. Houvast, steunpilaar, toeverlaat van mijn vader. Als ik hem, tijdens zijn laatste levensjaar in een alleszins aangenaam tehuis waar hij niettemin absoluut niet wilde zijn, bezocht, lichtten zijn ogen op als ik binnenkwam. ‘Oh, jongen, wat ben ik blij dat je er bent. Weet jij misschien waar mama is?’ ‘Die is thuis pa, die komt morgen weer.’ ‘Vandaag niet?’ ‘Nee, vandaag niet, vandaag ben ik er. Zullen we beneden een kopje koffie gaan drinken?’ Beneden in het restaurant zei hij dan gerust weer: ‘René, weet jij misschien waar mama is?’ Igor, mede namens mijn vader en moeder wil ik je alsnog bedanken voor wat je doet. En ik realiseer me: ach joh, het was maar een potje golf! Ps. Onbeduidend, maar ik heb het nu eenmaal beloofd: De Grandrieux Flipse Open is een jeu de boules toernooi dat zich afspeelt in Grandrieux, in noord-Frankrijk, waar een vriendengroep van meestal veertien tot zestien spelers aan meedoen. Het is vernoemd naar het hondje Flipse, dat na zijn scheiding van één van zijn eerste vrouwen op de parkeerplaats bij de notaris voor Frans koos. Het hondje was een alleszins bijzondere mollenvanger en Frans en Flipse beleefden talloze avonturen. Frans en ik schreven er ooit een boekje over: Op Flipse. De titel slaat op de borrel die we tien jaar lang met ongeveer dezelfde vriendengroep dronken op zijn leven, in onze stamkroeg waar hij op 4 december, voor de deur (zwalkend want ook al dementerend) om het leven kwam. De borrel heeft plaatsgemaakt voor een tweejaarlijks meerdaags petanque toernooi, met verblijf in het zeer sfeervolle Casa Caminante, het Huis van de Reiziger, huis van Frans en (nu) Sylvia. De volgende editie is van 24 tot 27 augustus 2028.
Afgelopen donderdag was de afgesproken dag voor onze Matchplay, in het kader van, wat Louis zo mooi noemt, de herkansingsronde. Ik had natuurlijk graag op Noordwijk willen spelen, maar aan de baan wordt onderhoud gepleegd en nu zijn er maar 9 holes beschikbaar. Daarom nodigde ik Ruud uit om op de Heelsumse te komen spelen en zo geschiedde. Kea kwam gezellig mee, want voor de dag erop hadden ze nog een golfafspraak in de buurt. Het was qua weer een rustige, niet te warme dag wel met wat wind. Heerlijk golfweer. Ruud speelde gezellig mee van rood en na wat rekenwerk bleek dat hij mij maar liefst 16 (zestien!) slagen moest geven. Helaas heb ik van dat grote voordeel geen gebruik kunnen maken. Het begon leuk, de eerste vier holes werden om en om gewonnen, daarna liep Ruud iets uit en bij de turn stond hij 1 up. Het is frusterend als je een bal ziet landen en rollen, maar hem daarna nooit meer terug kan vinden. Ik had ook een beetje pech met mijn puttjes. Ruud speelde steady en altijd met een klein houtje recht van de tee, mooi om te zien. Ook zijn approaches waren uit het boekje. Hij had in het begin iets moeite met de greens, maar op tweede 9 had hij ook dat onder controle. Ik raakte daarentegen geen bal meer en zo stond het na veertien holes 5 up. Natuurlijk speelden we de laatste holes nog uit, waarbij mijn slagen wonderwel weer goed gingen en bij Ruud het licht uitging. Het kan verkeren! Op het terras troffen wij Kea weer en dronken wij nog wat gezelligs. Dank Ruud voor een gezellige golfdag en veel succes bij je volgende wedstrijd!
Matchplay-directeur Louis Westhof noemt de ‘verliezersronde’ de herkansing. Vraag is, voor wie. Op papier is het een ongelijke strijd met zo’n groot handicapverschil; 14.2 om 32.8. Frank Huiges slaat met zijn driver 265 meter, met zijn houten-3 heel knap 235 meter. Ook een ijzertje reikt bij hem tot aan de hemel. En dat laat hij deze matchplay ook zien. Ongelóóflijk! Voor mij zijn dat minimaal twee slagen, eerder drie. Chippen en putten kan’ie ook. Dan kun je - volgens Frank – ‘een bak slagen’ meekrijgen, maar elke slag ‘mee’ ben je na elke afslag al weer kwijt. Dat red je gewoon niet als hoge handicapper. Kansloos, dus. Vooraf had ik zelfs bedacht dat het direct na de turn al wel eens over kon zijn. Dick Groot, head-pro op De Purmer spreekt mij vooraf moed in. ,,Jij gaat jezelf verbazen’’, belooft hij. Ik denk ook aan schrijver Tomas Lieske; ‘Wat niet kán, is (gewoon) nog nooit gebeurd. Maar het kan wél’. En verdomd: hole 1 sleep ik met een bogey binnen. Maar hole 2 geef ik direct weer weg, omdat ik een put van een meter mis. Zucht: is het weer zo’n dag?! En toch: pas op hole 4 zet Frank de teller op één. 4 up Al koop je er niets voor, Frank gaat niet - zoals gevreesd - als een TGV door de scorercard. Hoe dat kan? Hij slaat waanzinnig ver, alleen ook wel eens té ver en niet altijd recht. Op de waterrijke gele lus van De Purmer met smalle fairways kan dat duur uitpakken. En zelf sla ik ook nog wel eens een knappe bal. Na de turn is het daarom niet handen schudden, maar staat Frank ‘slechts’ 4 up. Op de rode lus, de polderbaan, loopt hij gestaag door naar 7 up. Met nog zes holes te spelen is het definitief over-en-uit. We besluiten ‘gewoon’ verder te spelen, want Frank wil zijn handicap verbeteren en ik wil ook nog mijn momenten vieren. Te beginnen met een par op de Par-3 vierde. De zon breekt eindelijk door. Helemaal wanneer ik daarna ook de moeilijkste hole 5 en de korte hole 6 weet te winnen. ,,Hé, we zijn te vroeg gestopt’’, grapt Frank. Nee, ik ben te laat begonnen, bedenk ik zelf. Op de korte holes kan ik redelijk goed meekomen. Maar ja, geen Par 3’en zonder Par 5’en en die gaan in Frank Huiges-stijl. Met twee geweldige slagen ligt Frank telkens vlak bij de green. Chipje en twee puts. Een easy par. Kijk, dat red ik niet op een Par 5 of een lange Par 4. Maar ik kan er wel van genieten als een ander het flikt. Topdag Dus 7&6. Zó terecht gewonnen en Frank brengt meteen zijn handicap terug naar 14.0, waar hij eerder ook op 10 heeft gestaan. De nazit is geheel in de stijl van de NVGJ; cola en een nul-punt-nulletje, bittergarnituur en een goed gesprek over het journalistieke vak, het leven en wat werkelijk belangrijk is. Met het stoppen van het programma Kassa gaat Frank bij BNN/VARA een roerige tijd tegemoet. Spelen op een welhaast verlaten baan en uiteindelijk zonovergoten Purmer was ‘even helemaal niets; heerlijk’, zo maakt Frank de balans op. En ik? (Bij vlagen) best goed gespeeld. Het verlies was voorzien; gedaan en laten, dus. Maar de memorabele ronde en de waanzinnige slagen van Frank zullen mij nog lang bijblijven. Topgast, topdag! Frank, bedankt!
‘Doe je wel mee aan de verliezerscompetitie’, vroeg matchplay-wedstrijdleider Louis me nadat ik in de ‘echte’ matchplaycompetitie kansloos had verloren van oud-winnaar Peter Luijer. Ach ja, dacht ik, misschien maak ik daar dan nog kans. Maar dan moet je niet tegen Cara de Vlaming loten!