Helden

‘Hoeveel Ronnie O’Sullivan’s heeft snooker nodig om weer populair te worden’, was van de week de kernvraag in een artikel op de website van de BBC. Het enthousiasme voor de Britse sport met de grote tafel en de bontgekleurde ballen is tanende en dat roept de vraag op wat er gedaan moet worden om weer goed op de kaart te komen.

Voor wie niets van snooker weet: Ronnie O’Sullivan is een van de allerbeste snookerspelers aller tijden (misschien wel dé beste) maar zijn karakter stond meer dan eens succes in de weg. Een moeilijke jeugd, een in de gevangenis zittende vader, een explosief karakter. Het is zelfs voorgekomen dat hij tijdens een wedstrijd zomaar van de tafel wegliep. Gewoon, geen zin meer.

Daar tegenover staat dat geen speler zo genadeloos goed in staat is de rode en gekleurde ballen in de pockets te laten verdwijnen. Ooit presteerde hij het om een maximale break (147 punten) in nauwelijks vijf minuten af te raffelen. Daarvoor moet je bijna rond de tafel rennen, zo weinig tijd heb je dan per stoot. Ronnie ‘the Rocket’ O’Sullivan dus, daar zou de sport er meer van moeten hebben. Want met al zijn nukken en gekkigheden, komen de mensen wel voor hem naar de snookerzaal.

Ik moest daar aan denken toen Miguel Angel Jiménez en John Daly de afgelopen dagen weer eens van zich deden spreken.

Over Jimenéz niets dan lof. De seniore Spanjaard is de laatste jaren meer en meer uitgegroeid tot een cultheld. Met zijn sigaar, zijn haar, zijn slechte Engels, zijn dansjes, en natuurlijk zijn geweldige golf. De camera’s, maar vooral de toeschouwers, zijn gek op The Mechanic.

Bijna net zo gek is iedereen op John Daly. Lang niet zo succesvol als Jiménez – en een dansje zien we hem niet snel maken – maar ook hij trekt mensen naar de baan. Waarom? Omdat men hoopt een glimpje van de oude Daly te mogen zien (dat lukte de eerste dag van het AT&T Pebble Beach National Pro-Am), omdat men sympathie heeft voor de underdog, en misschien ook wel omdat men wacht op een echte Daly hole, met tien, elf, of misschien nog wel meer slagen voordat de bal in de hole verdwijnt.

Dat soort scores, de vele gemiste cuts, de weinig sportieve uitstraling, is koren op de molen van de criticasters die er natuurlijk ook zijn. Ze kunnen er met hun hoofd niet bij dat Daly wéér een invite krijgt. Maar de toernooiorganisatoren zijn ook niet gek. Laatst hoorde ik een oud-pro zeggen dat als hij op de drivingrange stond hij de ene speler niet van de ander kon onderscheiden. Iedereen oogde hetzelfde, deed hetzelfde, wilde hetzelfde. ‘Ik viel er bijna bij in slaap’.

Dat zal je bij Daly, Jiménez en O’Sullivan niet snel gebeuren. Kleurrijke helden, een sport kan er niet genoeg van hebben.