Martijn Paehlig

Martijn PaehligMartijn Paehlig is niet alleen een golfspelende journalist,
hij schrijft ook professioneel over de sport.
Voor de site van de NVGJ maakt Martijn een column over
de wereld waar hij beroepsmatig mee te maken heeft.
 

Les

Met een schok zie ik op de kalender dat de eerste maand van het jaar er alweer op zit en moet ik concluderen dat het opnieuw niet gaat gebeuren dit jaar.

Een degelijke voorbereiding op het nieuwe golfseizoen.

Weer niet.

Ergens in november hoor ik de eerste mensen altijd al praten over de lessen waar ze mee zijn begonnen, de oefeningen die ze doen, de uren die ze maken op de drivingrange. En elk jaar denk ik ‘Dat zou ik ook eens moeten doen. Straks, als het seizoen echt is afgelopen’.

De laatste keer dat ik me op een poging tot een enigszins gerichte oefencampagne kon betrappen duurde de hele onderneming zegge en schrijve drie koude decemberavonden. Een keer niet gaan, twee keer knipperen met mijn ogen en het was alweer maart.

Daarbij komt de vraag wanneer het seizoen eigenlijk voorbij is als je gewend bent het hele jaar door te spelen, voor je werk en voor je plezier. En hoe zit dat met dat plezier als je middenin een enorme swingrenovatie toch de baan in gaat? Worden die achttien holes dan niet eerder een last dan een lust? Niet spelen is werktechnisch geen optie maar is het wel goed voor de opdrachten die je van je pro meekrijgt te spelen op de net iets te natte, wildvreemde baan waar je voor je bladen ook nog eens een verhaal over moet zien te maken?

Wie neem ik in de maling? Smoesjes. Meer is het welbeschouwd niet. Belangrijker is namelijk een andere vraag. Heb ik er wel zin in om me eens grondig aan te laten pakken? Zoveel is me namelijk wel duidelijk. Met een quick fix ben ik er niet. Na jaren zonder les is er weinig meer over van de swing die ik ooit aangemeten kreeg bij mijn eerste kennismaking met de sport.

‘Ik zie een uitdaging’, mompelde de professional waar ik een paar jaar terug voor een verhaal op de mat stond net even te hard. Het zijn woorden die me nog altijd schrik aanjagen en die me de moed aan de slag te gaan bij voorbaat in de schoenen doet zinken.

Hoe ik me een weg naar mijn huidige handicap heb gehakt is ook mij meer dan eens een raadsel. Fraai geraakte ballen en dito rondes leggen het ruim af tegen de momenten dat ik vrees door een langsrijdende marshall te worden aangesproken. Een vorsende blik, een beleefde glimlach, een vriendelijke hand op mijn schouder en dan die allesvernietigende vraag: ‘meneer, mag ik uw gvb even zien?’

Al is het alweer februari… misschien moet ik maar eens zin maken.