Enkele dagen na het Brits Open nam ik op de redactie de telefoon op. Ik had nog maar nauwelijks mijn naam uitgesproken of de beller begon aan een even onwaarschijnlijke als onsamenhangende mopperpartij over de Nederlandse playing professionals.
‘Die praatjesmaker van een De Vries? Wat denkt zo’n knul nu wel niet met zijn grote mond? Heeft nog helemaal niets laten zien, eindigt helemaal in de achterhoede en gaat zijn kaart verliezen. Vréselijk! En dan die lange uit Eindhoven. Hoe heet-ie ook alweer, die Lafeber. Daar heb ik altijd al van gezegd dat hij er niets van kan. Helemaal niets, zwaar overschat. En die met die krullen die moet het ook nog maar eens laten zien’, ratelde hij maar door.
Omdat ik geen idee had waar hij heen wilde, hoorde ik hem aan, ging ik rustig met hem in gesprek, en probeerde ik zijn argumenten te weerleggen.
Dat de nummers 1 en 2 van de wereld de cut überhaupt niet hadden gehaald in het Brits Open. Dat Nederlanders misschien vaker zouden mogen winnen, maar dat er nu eenmaal maar een beperkt aantal toernooien per jaar is en makkelijk een paar honderd kanshebbers. Dat het geen top was, maar dat er bij de meesten een stijgende lijn zichtbaar was. Dat het voor de mannen in het Brits Open hun debuut was. Dat…
De goede man (nou ja…) was niet voor rede vatbaar en viel mij bars in de rede.
‘En u, u bent geen haar beter. Altijd maar positief schrijven over hoe fan-tas-tisch het wel niet was wat ze hebben gedaan. Nou meneer, ik kan u vertellen. Wij, mijn vrinden op de club, vinden het helemaal niets. NIETS. Het is bar en bar slecht en dát moet u eens opschrijven. Hoe beroerd het wel niet is. Een aanfluiting.’
Nogmaals probeerde ik de man met argumenten te overtuigen maar tegelijkertijd merkte ik dat mijn gedachten afdwaalden. Ik was het niet met hem eens, maar had hij misschien een punt? Niet dat van die praatjesmaker, die knul of dat overschatte. Het zijn stuk voor stuk goede golfers die zich of al jaren staande houden op het hoogste niveau, of die zichzelf een plaats tussen de golfelite proberen te verwerven. En het is bijna niet voor te stellen hoe moeilijk dat is. Daarbij weten de spelers zelf heus wel wanneer het niets was, maar aan elke slechte ronde is wel een lichtpuntje toe te schrijven. Althans, zo benader ik mijn eigen rondjes altijd maar. Geen dag zo slecht gespeeld of er ging wel iets goed.
Schrijven we te positief? In de ogen van sommigen wellicht, maar niet in mijn beleving. Positief kritisch met een voorkeur voor opbouwende geluiden boven snerpende kritieken. Dat wel.
Zijn de Nederlandse golfers wereldtop? Nee, dat (nog) niet. Maar dat is een positie die ook maar voor weinigen is weggelegd. Worden er nu en dan aansprekende resultaten gehaald? Worden eigen grenzen verlegd en stappen gezet? Ja. Net als het soms bar tegen valt. En dat er geen Nederlander bij de beste honderd van de wereld staat is eigenlijk ook te gek voor woorden. Maar om dat als helemaal niets op te schrijven gaat mij te ver en past mij niet. Liever een Jack van Gelder dan een Ben de Graaff. Zal mijn beller wel een aanfluiting vinden.